Salvérius

Tekeningen

Salvérius

Louis Salvérius, alias Salvé (geboren te Soignies in 1935), gaat op zijn eenentwintigste, kort na zijn militaire dienst, bij de tekenafdeling van Dupuis werken. Zijn eerste, nogal technische tekeningen verschijnen in 1956 in RISQUE-TOUT (SPRINT) , maar meestal is zijn werk minder bevredigend: letteringen voor de Nederlandse editie van ROBBEDOES, kruiswoorddiagrammen, anonieme illustratietjes en het monteren en aanpassen van tekeningen van de helden van het Huis voor de "Gag de Poche".

Hij sleept in 1959 een reclamestrip in de wacht voor Cécémel en komt met zijn eerste eigen creaties in de micro-verhalen, de supplementen bij het weekblad die als proeftuin dienen voor debutanten. Het Amerikaanse Westen fascineert hem en domineert zijn eerste miniboekjes: "De scalpendans" (op scenario van Delporte in 1959), "Indianengeschiedenis" (geschreven door Maurice Rosy), tekeningen voor "De indianen uit het zuidwesten".

Na in de microbibliotheek te hebben samengewerkt met Serge Gennaux ("Umberto Solferino" in 1963) en Bob de Groot ("De middelmaat"), bedenkt Jacques Devos voor hem zijn eerste vaste personages voor een parodistische western: "Tim en Tom", een berooide tweeling die de Far West doorkruist.

Wanneer Salvé rijp wordt geacht voor de "grote" pagina's van ROBBEDOES, zal opnieuw Devos voor hem tussen 1963 en 1968 een zestigtal gags rond "Whamoka et Whikilowat" bedenken, twee Roodhuiden die in 1966 optreden in de geïllustreerde boeken in de reeks "Carrousel"("Une Journée chez les Indiens" en "La Légende du désert", met medewerking van Jamic voor de decors).

Paul Deliège neemt het van Devos over en schrijft het scenario voor een achttal micro-verhalen over de stam der Hondskopindianen (en de Levedelolindianen) en de pechvolle "Dwergkaktus", (1968-1969). De contouren van een echt groot project worden zichtbaar wanneer de horizon opklaart en de kunstenaar mag denken aan een echte western in plaats van zijn indianenfantasietjes: "Lucky Luke" heeft namelijk het blad verlaten en zijn plaats is dus vrij. Een jonge, nog onbekende scenarist, die voor het fotolab van de uitgeverij werkt, stelt hem een seriethema voor dat geknipt voor hem lijkt: "De Blauwbloezen".

Gecharmeerd door het idee van Raoul Cauvin creëert Salvérius de personages. Ze lopen zich vanaf 1968 warm met gags en korte verhalen en wagen zich dan eindelijk aan de vervolgverhalen. De tegenstellingen tussen de hoofdpersonen en een geestige, vurige aanklacht tegen het militarisme vormen de ingrediënten voor een groot succes, dat de reeks al snel tot een van de populairste van het weekblad maakt.

Uitgever Charles Dupuis is onder de indruk en haalt Salvérius ertoe over zijn verzekerde, rustige bestaantje als werknemer van het tekenbureau op te geven en zich geheel aan de Blauwbloezen te wijden. Hij geeft hem zelfs de garantie dat hij in zijn oude baan mag terugkeren in het, toen al onwaarschijnlijke geval, dat zijn creaties niet aanslaan bij het publiek. Louis Salvérius zal alles uit de kast halen om het waar te maken.

Op zijn achtendertigste, op 22 mei 1972, wordt hij tijdens het werken aan plaat 36 van het vierde verhaal, "Outlaw" door de dood getroffen. Lambil gaat ermee akkoord het verhaal af te maken en daarna de reeks voort te zetten.

De extraverte Salvé, die zijn beroep uiterst serieus en perfectionistisch opvatte, heeft het spoor uitgezet dat zijn vrienden Lambil en Cauvin nu verder volgen. Zijn ridders van het Wilde Westen zijn inmiddels legendarisch geworden.